22 theorie van de Motivatiesystemen / emergentselfhood

author
15 minutes, 6 seconds Read

PSYCHOANALYSIS AND MOTIVATIONAL SYSTEMS-A NEW LOOK

Lichtenberg, J., Lachmann, F., Fosshage, J.

2010

deze publicatie, uit 2010/2011, presenteert hedendaagse psychoanalytische ideeën, waarin het concept van motivatiesystemen wordt beschreven, in plaats van aangeboren ‘drijfveren’. Consistent met neurowetenschappelijke vooruitgang (Schore, 2009), kunnen motiverende systemen verder worden geverifieerd, verfijnd, en afgestemd op vooruitgang op gebieden van neuronale processen, structuren, circuits, en in kaart brengen. Om de beoogde reikwijdte van dit boek over psychoanalyse volledig te begrijpen, moet men vertrouwd zijn met verschillende fundamentele, verenigende concepten, waarvan een volledig begrip van de tekst afhankelijk is, bijvoorbeeld affect, intenties, fractals en opkomende eigenschappen.

Emergente eigenschappen van een systeem worden niet beheerst door de regels van logische, deterministische, lineaire, causaliteit, maar stromen uit interactieve systemen die ergens tussen tegengestelde polen van chaos en stabiliteit staan.

vanwege de veelheid van initiële omstandigheden en componenten van complexe systemen, en vanwege de tussenliggende en onbepaalde invloeden die op dergelijke componenten werken, zoals geïllustreerd door de diverse componenten van een kronkelende bergstroom, of een weersomstandigheden, stelt de complexiteitstheorie dat de resultaten van interacties synchrone, adaptieve, zelforganiserende, transformerende, niet-lineaire (grote veranderingen gegenereerd door kleine verschillen, in de afwezigheid van duidelijke, causale ketens creëren (Thelen, 2005, P. 261)), onvoorspelbaar (van eerdere metingen), opkomende systemen, zonder “blauwdruk” (onderdelen werken niet vanuit richtingen, maar vanuit beperkingen (ibid.,)) dat onthult initiële voorwaarden.

Emergente systemen zijn systemen van ‘ hoger niveau ‘die niet volledig kunnen worden verklaard wanneer ze worden opgesplitst naar hun’ lagere niveau’, samenstellende delen. Een complexiteit gevoeligheid weerspiegelt een passend niveau van nederigheid, in reactie op een waardering van de radicaal complexe processen, geopenbaard, bijvoorbeeld, door een groeiende pasgeborene diepe, aangeboren capaciteiten, vooral wanneer voorzien van “…growth-facilitating selfobject regulatory functions,,,” (Schore, 2012, p. 65), i..e., vitaliserende, synchrone moederreacties, die de hechtingsveiligheid versterken.

om verklarende hypothesen die de breedste breedte van de menselijke psychologische ontwikkeling vastleggen, het beste te verlichten, integreren de auteurs complexiteitstheorie, motivationele systeemtheorie, gehechtheid concepten, en intersubjectieve/relationele theorie in een multidimensionaal, theoretisch kader, dat ook historisch relevante en betekenisvolle, psychoanalytische principes, concepten en constructies in hun passende contexten.

beginnend binnen een bio-Fysio-neurologische matrix, tracht deze brede visie te verklaren hoe de pasgeborene, gezien zijn capaciteiten en gaven, inclusief “geëvolueerde aangeboren waarden”, groeit binnen een ingebedde, relationele, omgevingsmatrix, die” snel geleerde geheugen-gekoppelde waarden ” omvat, de ontvouwende veelheid van zijn ontwikkelingspotentieel bereikt: effecten, intenties en doelen worden gesteld als fundamentele componenten van de voorwaartse stuwkracht van een individu.

waarom ‘motiverende systemen’? Een concept van een ‘motiverend systeem’ biedt een kader om beter te begrijpen hoe relaties zich ontvouwen, en hoe effecten, intenties en doelen worden beheerd. Daarnaast geeft het categoriseren van discrete motiverende systemen de clinicus een oriënterende organisatie en dient het als een nuttige klinische gids (Fosshage, 2010).

motiverende systemen zijn”…irreducible, primaire motivaties die het gevoel van het zelf te organiseren, en op zijn beurt worden georganiseerd door het…”(Lachmann, 2000, p. 53).

op basis van de werken van Edelman (1987), Damasio (1999) en Gent (2002) stellen de auteurs: “…de evolutie in elke persoon van capaciteiten en…nieuwe motivaties is emergent en nonlinear……no drijft die ontwikkeling dwingen om een voorbestemd koers te volgen. Ontwikkeling…creëert zijn eigen categorieën, betekenissen, intenties en doelen…zijn eigen opkomende motiverende systemen…”(ibid., chap. 2).

bij de pasgeborene zijn er vooroordelen (of voorkeuren, of waarden), die later predisposities worden bij de VOLWASSENE, dat “…induceer affect…en vormen de basis van discrete, maar onderling verbonden, interagerende motiverende systemen…”(ibid. hoofdstuk 2).

DE UITDAGING VAN HOOFDSTUK TWEE:

MOTIVERINGSSYSTEMEN? Instincten? DRIVES? Behoeften?

hoofdstuk twee illustreert de ambitieuze brede reikwijdte van dit boek, terwijl de auteurs hun visie schetsen op de evolutionaire, gedrags-en neurowetenschappelijke grondslagen van hun motiverende thesis.

Citing Gent ’s reference (2002) to Lichtenberg’ s early work (1989) on motivational systems as “…het meest systematische alternatief voor de dual-drive theorie van de klassieke psychoanalyse…”(p. 13), heeft Gent de categorisering door de auteurs van verschillende, discrete motiverende systemen verworpen.

om dergelijke categorieën te valideren, definiëren de auteurs hoe de zelfstabiliserende, zelforganiserende eigenschappen van systemen, begrepen binnen de niet-lineaire, dynamische systeemtheorie, in dialectische spanning met andere systemen, dienen als een ideaal model voor hun voorstellen.

de auteurs, die affect een belangrijke en fundamentele component van ervaring beschouwen, citeren Edelman (1987), ter ondersteuning van hoe zelforganisatie ontkiemt, met affects als de basisconstructie: de vooroordelen of voorkeuren van een kind worden geactualiseerd in de categorisering en neurale mapping van ervaring, eerst in intenties en doelen (motiverende systemen), en vervolgens in verwachtingen (dat wil zeggen, het organiseren van patronen of het organiseren van principes). DE LAATSTE, VAAK RIGIDE, ONBEWUSTE, IMPLICIETE VERWACHTINGEN, KAN WORDEN BEVESTIGD EN VERSTERKT DOOR ERVARING, OF, INDIEN FORTUINLIJK, MET MATERNALE (OF PSYCHOTHERAPEUTISCHE) AFSTEMMING, ONTKEND, MET DE CO-CREATIE VAN NIEUWE ERVARING.

verdere ondersteuning voor hun positie bestaat in een beschrijving van een evolutionair proces, waarbij effecten worden ingeprent op “emotie inductie sites”, in combinatie met een hiërarchie (“eerste-orde” en “tweede-orde”) van neurale kaarten de resulterende lichaam/hersenen respons “…vormen emotie…”(auteurs citeren Damasio, 1999, p. 283).

door de evolutionaire processen van “ontwikkeling” en “experiëntiële” selectie ontstaan niet-lineaire capaciteiten en motivaties, als gevolg van talloze micro-anatomische en microchemische gebeurtenissen, gedurende enorme tijdperken, met daaruit voortvloeiende heterogeniteit en diversiteit van menselijke capaciteiten.

in een beknopte verklaring stellen de auteurs:”…Ontwikkeling is een intrinsiek actief proces dat zijn eigen categorieën, betekenissen, intenties en doelen creëert…zijn eigen opkomende motiverende systemen…groepen van soortgelijke vooroordelen en invloeden bestaan in de pasgeborene en vormen de basis van discrete maar onderling verbonden interagerende motivationele systemen…”(p. 15-16).

vooruitlopend op kritiek, verduidelijken de auteurs dat hun proefschrift een “nieuwe eenpersoonspsychologie” beschrijft, die rekening houdt met het vermogen van het kind om uiterlijke ervaring te integreren met innerlijke spanningen, waarbij de motivationele systemen van het individu, interactie met de motivationele systemen van anderen, rekening kunnen houden met opkomende zelf-agentschap en autonomie.

zijbalk:

motivationele systemen:

erfelijkheid, neurobiologische substraten en omgevingsinvloeden

(from: R. Frie, W. Coburn, Ed., Personen in Context, 2011, hoofdstuk 6: “ontwikkeling van individualiteit binnen een systeemwereld”, J. Fosshage, PP. 89-105)

Fosshage stelt dat motiverende systemen:”…bijdragen aan de ontwikkeling, het onderhoud en het herstel van zelf-cohesie en zelforganisatie…motiverende modellen vormen het steunpunt voor elke psychoanalytische theorie…”(ibid., blz. 92-93).

Edelman beschrijft een theorie van een proces van neuronale groepsselectie, waarbij “ontwikkelingsselectie” zelforganiserend induceert op moleculaire en cellulaire niveaus, wat leidt tot neuroanatomische ontwikkeling (Gent, 2002); en “experiëntiële selectie” neuronale patronen creëert door middel van meer directe verwerking en aanpassing.

Sacks (1993), verwijzend naar Edelman en Stern (1985), schrijft dat primitieve vooroordelen, of waarden, het organisme oriënteren op overleving en aanpassing, de vorming van “categorizaties van waarde”.

“…waarden worden intern ervaren als gevoelens…”

gegeven de aangeboren waarden van de pasgeborenen, creëert hij of zij haar eigen categorieën om haar eigen wereld te construeren, doordrenkt, vanaf het allereerste begin, met persoonlijke betekenis.

Stern beschrijft een emergent zelf, waarbij zuigelingen verschillende, aangeboren vooroordelen hebben en informatie kunnen categoriseren in patronen, gebeurtenissen, verzamelingen en ervaringen.

Edelman (1992) voegt daaraan toe”…meerdere kaarten…breng eenheid en samenhang in perceptuele scènes…”

ontwikkelingsmotivatie:”…een inherente neiging bij mensen om te groeien of te ontwikkelen, om uit te breiden in functie om zichzelf te organiseren met toenemende complexiteit in overeenstemming met motivatie…voorkeur…”(ibid., p. 101) – (d.w.z., “streven”)

kortom, Fosshage stelt dat”…genetisch gebaseerde kenmerken van de hersenen omvatten de…krachtige neiging om informatie te categoriseren … om eenheid en samenhang te creëren, kwaliteiten van een zelforganiserend systeem. …biologische gegevens…die de vorming van een individu binnen een relationele systeemwereld beïnvloeden…”(ibid., blz. 94).

Back to:

psychoanalyse en Motivatiesystemen-een nieuwe Look

(Lichtenberg, Lachmann, and Fosshage, 2011)

de auteurs stellen een uitdagend theoretisch voorstel voor, dat een innovatief, overkoepelend, interactief kader van mentaal functioneren beschrijft, dat in grote lijnen de volledige complexiteit van psychologische systemen omarmt. Deze expansieve, bio-psycho-sociale these wil de centrale rol van invloed, intenties en doelen in het subjectieve psychologische leven aantonen.

Ik zal eerst het raamwerk van de theorie schetsen, gevolgd door de voorgestelde klinische toepassingen voor psychoanalytische psychotherapie.

a) algemeen overzicht:

de zelforganiserende en zelfstabiliserende eigenschappen van niet-lineaire, dynamische, motiverende systemen zijn de leidende metafoor om het samenspel van effecten, intenties en doelen te beschrijven, in de interacties tussen verzorger en kind, of patiënt en therapeut (elk een ‘zelfsysteem’, samen een ‘intersubjectief (dyadisch) systeem’).

een individu is een open, zelf-systeem, bestaande uit open subsystemen, maar ook verstrikt in grotere relationele systemen.

‘dialectische spanning’, een eigenschap van dergelijke dynamische systemen, een staat tussen orde en chaos, roept verstoringen of’ invloeden ‘ op die de stabiliteit of status quo van een systeem veranderen. “Dynamisch” betekent dat de toestand van het systeem op elk moment afhankelijk is van zijn vroegere Staten en het uitgangspunt IS voor toekomstige Staten” (Thelen, 2005, blz. 262).

verstoringen kunnen kantelpunten veroorzaken, met een verlies van stabiliteit van het systeem, die op hun beurt groeispurts kunnen initiëren, ontwikkelingstrajecten kunnen veranderen, negatieve ontsporen kunnen veroorzaken of positieve reorganisatie kunnen bevorderen.

een verschuivende balans tussen orde en chaos zorgt voor zowel transformatie als duurzaamheid.

zo ‘ n dynamisch model kan van toepassing zijn op intersubjectieve, patiënt-psychotherapeut systemen, om te helpen rekening te houden met de naadloze, eindeloze, adaptieve, verweven web van effecten, het verschuiven tussen de interfaces van motivationele categorieën. De gevolgtrekkingen van de analist kunnen de evoluerende intenties en doelen van de patiënt verlichten.

de auteurs stellen 7 brede, overlappende, motiverende systemen, die evolueren door voortdurende cycli van stabilisatie, destabilisatie en daaropvolgende herstabilisatie, om de processen te vertegenwoordigen waardoor het individu zijn invloed, intenties en doelen uitdrukt.

dergelijke systemen hebben eigenschappen van zelforganisatie en zelfstabilisatie, in dynamische, “dialectische” spanning/evenwicht met elkaar. Dialectische spanning beïnvloedt intrapsychische, interactieve en intersubjectieve systemen.

verstoringen veroorzaken veranderingen in het systeem in verschillende graden, en, net als rimpelingen in een poel, kunnen ze het systeem naar een grotere aanpassing, complexiteit en re-stabilisatie leiden, of terug naar verdere stijfheid.

om rekening te houden met deze complexe fenomenen, stellen de auteurs 5 algemene onderzoeksgebieden, die de informatie opleveren die nodig is om de kenmerken van dergelijke systemen te beschrijven: invloed; gevolgtrekking; Intentie; wijzen van communicatie; en (invloed) regulering.

de auteurs stellen voor dat de eigenschappen van fractals helpen om de oneindige diversiteit, complexiteit en transformatieve aard van de menselijke psychologische ontwikkeling en functioneren te conceptualiseren.

Fractals zijn natuurlijk voorkomende patronen die oorspronkelijk werden beschreven door een wiskundige, Benoit Mandelbrot. Als efficiënte, organiserende, geometrische configuraties van de natuur, zijn fractals waarneembaar in de contouren van natuurlijke fenomenen, zoals bergtoppen, kustlijnen en boomtakken.

Fractals worden gekenmerkt door eigenschappen van:

1) zelf-gelijkenis, dat wil zeggen, geïsoleerde delen van een object zijn vergelijkbaar met het hele object, en het hele object is samengesteld uit kleinere versies van zichzelf; en

2) invariantie, d.w.z. consistentie van dergelijke patronen, over Schaal (relatieve grootte) en tijd.

de auteurs stellen voor dat fractal-achtige eigenschappen kunnen verklaren voor het vermogen van het ‘zelf’ om een gevoel van continuïteit en gelijkheid door de tijd te behouden.

de lezer begint deze multidimensionale blauwdruk van psychologisch functioneren te” voelen”, niet alleen als een” dieptepsychologie”, maar ook als een” breedtepsychologie”.

door het hele boek heen worden repetitieve gelijkenissen van concepten gepresenteerd, d.w.z. een intensiverende, bidirectionele thematische ‘echo’ van drie zelf gelijkende thema ‘ s, geïllustreerd in klinische voorbeelden:

a) heen en weer telescoperen in de tijd, d.w.z. tussen heden en verleden;

b) emotionele verstoringen heen en weer, d.w.z. tussen therapeut en patiënt; en

c) het koppelen, door metafoor, van overeenkomsten en verschillen, via impliciete (onbewuste) en expliciete (bewuste) processen.

samenvattend, om hun ambitieuze theoretische voorstellen te kaderen, gebruiken de auteurs een multisystemenbenadering, waarbij concepten uit de systeemtheorie, wiskunde (fractals), cognitieve wetenschap, neurowetenschappen en psychoanalyse worden geïntegreerd, waarbij de nadruk wordt gelegd op dynamisch interagerende, repetitieve, interlacerende dimensies van vier belangrijke gebieden, allemaal in flux, verschuivend in en uit het middelpunt, afhankelijk van de context:

er zijn 7, niet-lineaire, dynamische, zelforganiserende, motiverende systemen, of categorische kaarten, of fundamentele bio-psychologische processen, van het ontvouwen van opzettelijke directionaliteit, overlapping, verschuiven naar voorgrond en achtergrond, in verschillende graden en combinaties, waardoor de invloed instantiate hun prioriteiten, belichaamd in intenties en doelen. Deze brede categorieën van “intentie ontvouwende processen”, die de oneindige variaties van menselijke zelfexpressie belichamen, zijn:

1) fysiologische Regulatie; 2) gehechtheid aan individuen; 3) verwantschap met groepen; 4) zorgverlening;

5) exploratie en voorkeuren; 6) aversiviteit; en 7) sensualiteit/seksualiteit.

er zijn ook 5 componenten functionele systemen( of “roots”): waarneming, geheugen, cognitie, affect, en recursief bewustzijn-die dienen als de fundamentele ‘roots’ , de hard-wired biologische begiftiging, vereist voor het functioneren capaciteit van de motiverende systemen;

er zijn 5 onderzoeksgebieden: invloeden; gevolgtrekkingen; intenties; communicatiemiddelen; en regulering, die dienen om deze formuleringen te verduidelijken.

IV) de bidirectionele, impliciete en expliciete manieren van verwerking, gebruik metafoor, een amalgaam van Beeld en symbool, om schijnbaar ongelijksoortige elementen van ervaring te koppelen. Onder verwijzing naar Modell (2005) beschrijven de auteurs hoe metaforische processen verbale (expliciete) en niet-verbale (impliciete) ervaringsgebieden met elkaar verbinden, door middel van het Intentie-ontvouwingsproces, om het bewustzijn van contrasterende overeenkomsten en verschillen te vergemakkelijken, als een middel om ervaring te organiseren.

Affects verbonden met metafoor zijn de bronnen van intenties en betekenissen, die door alle systemen en processen lopen en de functionele wortels verbinden met de motiverende systemen.

net als bij affects, intenties spelen een zeer belangrijke rol, in de auteurs hiërarchische schema: volgens de Boston Change Process Study Group,”…intenties de basiseenheid van psychologische betekenis…”, dat motivatiesystemen definieert, dat wil zeggen,”…verstoort de stroom van motivaties in motiverende systemen…”.

men zou kunnen zeggen dat een motiverend systeem wordt gedefinieerd door zijn intentie(s)/doel(en), gevoeld, uitgedrukt en overgebracht via effecten binnen, en gegenereerd door, het zelf-systeem.

B) KLINISCHE TOEPASSINGEN VAN MOTIVERENDE SYSTEEMTHEORIE VOOR PSYCHOANAYTISCHE PSYCHOTHERAPIE:

het bewustzijn van motiverende systemen die de meerlaagse, organiserende, affectieve patronen gedurende het leven vormen, kan de clinicus helpen de verschuivende prioriteiten van de volwassen patiënt te herkennen en te volgen, evenals zijn eigen, tijdens de psychotherapeutische ontmoeting, om de psychotherapeut beter te informeren over wat elk reageert op.

de patiënt reageert intersubjectief op de karakteristieke mix van invloeden, intenties en doelen van de psychotherapeut, die dispositionele potentialiteiten kunnen opwekken of remmen. De deelnemers aan de Dyade kunnen elkaars verwachtingen ervaren, categoriseren, in kaart brengen en volgen, omdat ze zich steeds meer bewust worden, zowel op expliciete als impliciete niveaus, van de vloeiende verstoringen in de voortdurende relatie.

het bewustzijn van deze mozaïeken van intenties helpt om de aversieve elementen van communicatie, ingebed in de ervaringen en verwachtingen van de patiënt, die niet langer adaptief dienen de patiënt voordelig te verschuiven.

binnen dit kader blijft het zelfbewustzijn van de psychotherapeut de instrumentele graadmeter voor het herkennen van de ontvouwing van intersubjectieve processen.

specifieke voorlopers van het huidige werk zijn psychoanalyse en motivatie (Lichtenberg,1989), en zelf-en Motivatiesystemen (Lichtenberg, Lachmann, & Fossage, 1992). De auteurs nemen ook de verschillende perspectieven die worden geboden door hedendaags kinderonderzoek, cognitieve wetenschap, neurowetenschappen (Damasio, Schore), en toonaangevende psychoanalytische Concepten (bijv., the Boston Change Process Study Group, of BCPSG).

de empirische basis van de tekst dient om te voldoen aan de behoefte aan intellectuele rigor; vat de meest actuele neuro-psychoanalytische trends; details van de verklarende rol van niet-lineaire dynamische theorie; introduceert het wiskundige concept van fractals als een middel om de plasticiteit van actie van zelf-overeenkomsten, van zelf-organisatie, en van empathie te conceptualiseren; behoudt intersubjectieve en relationele dimensies; en laat ruimte voor potentiële, toekomstige uitbreidingsmogelijkheden binnen de psychoanalytische theorie, naarmate het begrip van dergelijke categorieën verfijnder wordt.

samenvattend beschrijven de auteurs, aan de hand van hun eigen onderzoek en van hedendaagse onderzoekers, de evolutie en ontwikkeling, vanaf de kindertijd, van hersengebaseerde cognitieve processen en effecten. Het resultaat is een ambitieuze maar bondige synthese van een multidisciplinaire, veelzijdige, multisystem-gebaseerde theorie, die menselijke invloed, intenties en doelen richt als de belangrijkste kenmerken van zeven geïntegreerde, motiverende systemen, waaromheen menselijke activiteit wordt begrepen zichzelf te organiseren, dus onthullende, en begrijpelijke, menselijke doel en betekenis.

de auteurs leggen uit dat fractals, zoals aangrenzende, vermengende wolken, beide ingesloten grenzen hebben die elk afzonderlijk definiëren, maar toch open zijn en moeiteloos kunnen fuseren met naburige entiteiten; dat is de aard van motiverende systemen, als de conceptuele belichaming van de”…groepering van zelf-soortgelijke effecten, intenties en doelen…”.

dergelijke systemen kunnen in een bepaald individu voor-en achtergrondkwaliteiten hebben, maar kunnen dan samenvoegen en verschuiven met een ander of ander systeem.

een voorbeeld hiervan is een bevestigingssysteem dat:”…”bevat” positieve gevoelens geassocieerd met een intentie om een veilige intieme relatie te vormen met another……at grens…kan een negatieve eigenschap aannemen, samensmelten met en dan verschuiven naar het sensuele/seksuele systeem, of een zorg voor het welzijn van de ander, samensmelten met en verschuiven naar het verzorgende systeem…”

metaforen, betekenis, Intentie, gevolgtrekking en FRACTALS

net als fractal patterning maakt het metaforisch proces de overdracht van betekenis mogelijk tussen verwante maar ongelijksoortige domeinen, zoals ‘verleden en heden’, en ‘zelf en ander’, wat ook de ervaring van continuïteit tussen mentale toestanden en van zelfcontinuïteit bevordert.

“het inferentieproces staat centraal in de creatie van betekenis en de organisatie van ervaring.”

EXPECTANCES –

“…hoe interacties met de omgeving zullen verlopen…”(Lachmann, 2008, p. 14).

WE VERWERKEN EN ORGANISEREN CONTINU EN TEGELIJKERTIJD ERVARING.

WE SCHRIJVEN BETEKENISSEN TOE AAN DIE SIGNALEN DIE OVEREENKOMEN MET VERWACHTINGEN.

WE INTERAGEREN IMPLICIET OP EEN MANIER DIE ONZE OORSPRONKELIJKE VERWACHTINGEN BEVESTIGT.

10 RICHTLIJNEN VOOR het BENADEREN van DE KLINISCHE, RELATIONELE OF THERAPEUTISCHE EXCHANGE (OF krijgt)

(p. 102-114)

RICHTLIJN # 1: VEILIGHEID

een faciliterende omgeving te bieden veiligheid en beveiliging

RICHTLIJN # 2: EMPATHIE

tekening conclusies over anderen via de metaforische bruggen

RICHTLIJN # 3: INVLOED

wat zijn de kwaliteiten van de invloed op (toegankelijk? afwezig? geremd?) en

Wat is het effect dat wordt gezocht, via gescheiden, repetitieve, dwangmatige patronen?

RICHTSNOER 4: REIKWIJDTE VAN HET ONDERZOEK

“…de boodschap is de boodschap…”

verken zowel de naald als de hooiberg, het latente en het manifest

richtsnoer nr. 5: De verhalende envelop vullen

maximaliseer informatie om de intenties en doelen van de patiënt zo goed mogelijk te identificeren

bouw het verhaal van de patiënt op tot het hoogst mogelijke niveau van samenhang

richtlijn # 6: dragen van attributie

wat en wie is de analist geworden voor de patiënt, in de ogen van de patiënt?

– de psychotherapeut streeft ernaar om zichzelf te herkennen en te tolereren zoals de patiënt dat doet

richtsnoer 7: MODEL SCENES

joint exploration

GUIDELINE # 8: AVERSIVE MOTIVES

reluctance, defensiveness

Similar Posts

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.